Verslaafd aan romantiek?

Ik had grootse verwachtingen van de liefde, als tienermeisje, eind jaren negentig.

Deze verwachtingen waren niet zozeer gebaseerd op de eerste liefdesrelatie die ik van dichtbij meemaakte; die van mijn ouders, in mijn ogen een nogal gezapig huwelijk. Veilig, vreedzaam en langdurig, maar saai. Zij kusten niet, hadden geen lieve koosnaampjes voor elkaar, hielden elkaar niet stevig vast; de liefde spatte er niet echt van af. Nee, mijn verwachtingen bestonden uit beelden van vurige romances, uit de vele romantische films die ik verslond. De romantische film was mijn favoriete filmgenre. Het enige genre eigenlijk, dat ik de moeite van het kijken waard vond. Maar het was ook mijn favoriete boekgenre, liedgenre, tv-seriegenre.. Gulzig nam ik deze zoete mediakoek tot mij.

In het sociale leven van alledag was ik een onzeker, introvert en diep eenzaam meisje, maar in deze alternatieve werkelijkheden kon ik me heerlijk verliezen. Ik nam ze mee mijn dagelijks leven in. Ik dagdroomde over Brandon, tekende hartjes voor Nick, en mijmerde over een toekomst met Leonardo. Mijn schoolagenda verdubbelde in dikte. Volgeplakt met kleine, uit de Hitkrant geknipte mannenhoofdjes, zodat ik ook bij Frans en Aardrijkskunde lekker verder kon zwijmelen. We waren eigenlijk altijd samen. Hun grote hoofden, die ondeugend lachend of stoer richting mijn bed keken, hadden niet alleen vouwen en twee kleine gaatjes op de neus, maar ook olieachtige vlekken rondom de mond.

Natuurlijk was ik niet écht verliefd op deze (veel oudere) mannen, al was ik er destijds van overtuigd van wel. Ik was vooral verliefd op waar ze voor stonden: verbinding. Een warme samensmelting, een symbiose, nooit meer alleen.

Mijn eerste liefdesrelatie zou vast ook zo worden. We zouden eindeloos in elkaars ogen staren, elkaars gezichten kussen, elkaars lijf. We zouden innig dansen en knuffelen, uitbundig lachen. Maar ook heftig ruziemaken, om het vervolgens op gepassioneerde wijze weer goed – of nog beter – te maken. We zouden alleen oog hebben voor elkaar. Niemand en niets anders zou er meer toe doen.

Dat was wat ik wilde.

De jongetjes van mijn klas hadden geen idee.

 

Twintig jaar later was deze fantasie nog steeds actueel, al hadden mijn verliefdheden zich in de voorbije jaren verplaatst van de buis naar het echte leven, en de vorm van een ononderbroken stroom aan relaties en ‘relatietjes’ aangenomen. Sinds mijn tiende was ik nog nooit zonder liefdesproject geweest. Ik nam nauwelijks de tijd voor een adempauze. Hier en daar overlapten ze zelfs een beetje. Duidelijke relatie-eindes, waarbij ik huilend of woedend afscheid van hen nam en we elkaar een hele poos niet meer zouden zien, die kende ik eigenlijk niet. Wat eindes hadden moeten zijn, werden vaak toch weer een begin van iets nieuws. Hetzelfde, en dezelfde, maar dan anders. Losser. Zonder relatiestempel, maar nog wel met de passie en romantiek die ik zo begeerde. Soms gebeurde dat direct na het ‘afscheid’, soms pas jaren later. Dan sloeg de vlam weer in de pan.

Alsof een regisseur telkens riep: ‘Eèèèn, cut! Mooi, dramatisch, yes!! Terug naar jullie plaatsen. Opnieuw, en nog wat intenser dit keer! [..] …. Eèèèn, cut! Kippenvel! Ja! heer-lijk!! .. Opnieuw!’.

Afscheid nemen bestond niet, als het aan mij lag. Ik was verslaafd aan de dramatiek van die nooit-eindigende-eindes. Zo verdomd romantisch vond ik dat.

Maar ook zo verdomd pijnlijk. Het was niet te doen.

 

*********************

 

In 2015 belandde ik – niet als psycholoog, maar als cliënt – in een verslavingskliniek. Ik kreeg daar de onofficiële diagnose: relatieverslaving, onderdeel van de overkoepelende term ‘seks- en liefdesverslaving’.

Ik was 32 jaar oud, psycholoog / onderzoeker, en was bezig met de laatste loodjes van mijn promotie-onderzoek aan de VU in Amsterdam. Zes jaar daarvoor was ik met mijn vriend – tegen mijn zin – van Maastricht naar Amsterdam verhuisd. Die relatie verzandde in een symbiotische sleur, waardoor ik, vlak na het kopen van een veel te duur appartement en vlak voor het beginnen aan baby’s, de benen nam. Ik woonde – voor het eerst – alleen, in een kleine studio. Veel (eigen) vrienden had ik er nog niet gemaakt, en een veelbelovende nieuwe liefdesrelatie, waar ik halsoverkop ingedoken was, was op een drama uitgelopen. Ook de drie verliefdheden die daarop volgden gaven me vooral een hoop onrust en stress.

Ik had de ene paniekaanval na de andere. Ik wist niet meer wat ik met mezelf aan moest. Ik zag het leven niet meer zitten. Ik was op.

De lange reeks aan jongens, en later mannen, waar ik sinds de basisschool verliefd op was geworden, vertegenwoordigden voor mij stuk voor stuk de ridder op het witte paard. De prins die mij, dame in nood, zou redden. Redden waarvan? Van de vele angsten, die mij sinds mijn jongste jaren tergden. Zij zouden me beschermen, er altijd voor me zijn, voor me zorgen, me op handen dragen, en mijn leven zin geven.

Deze verwachting, gevoed door het romantische ideaal dat ik in films, series en muziek geportretteerd zag, leidde tot veel gedoe tussen mij en die mannen. Zij hoopten op een zelfstandige en lieve dame, die hun leven wat zou opfleuren. Maar wat ze kregen was een afhankelijke en drammerige vriendin, die hun leven vooral lastiger maakte.

Ik zag mijn rol niet in dit geheel. Ik zag wel waarin zíj tekort schoten.

Dat inzicht kwam pas, toen ik er in 2015 alleen voor kwam te staan. Voorheen had ik mijn ouderlijk huis altijd als toevluchtsoord gehad, als weer een (potentiële) relatie op de klippen liep. Dan liet ik me net zolang door mijn ouders verzorgen, tot er weer een nieuwe man verscheen waarop ik al mijn aandacht kon richten. Maar nu woonde ik ruim 200 kilometer bij mijn ouders vandaan, en had ik werk waarbij ik niet zomaar weken weg kon blijven.

Toen ontstond pas echt het besef: ik kan helemaal niet alleen zijn! En samen zijn kan ik blijkbaar ook al niet..

Dit besef vormde het startpunt van een intensief proces van persoonlijke ontwikkeling, dat jaren in beslag zou nemen. Ik ging in therapie, en nam coaches en mentoren in de arm. Ik las vele boeken over relaties, groei en bewustzijn, luisterde podcasts, keek video’s, volgde trainingen en deed retraites.

Mijn doel was emotioneel volwassen worden, én op een gezonde manier in relaties leren staan. Ik had als dertiger nog een hoop kennis en vaardigheden in te halen. Kennis en vaardigheden die ik helaas nog niet had geleerd tijdens mijn jongere jaren.

Anderhalf jaar bleef ik alleen. Geen vriendjes, geen geflirt, geen gescharrel. Ik wilde ontdekken wie ik was zonder geliefde. Ik wilde zelfstandig worden. Ik wilde weten wat ík belangrijk vond in het leven.

Daarnaast wilde ik mijn relatievaardigheden verbeteren. Ik wilde leren hoe ik op een constructieve wijze over mijn gevoelens, wensen en grenzen kon praten, zonder ze op (passief-)agressieve wijze aan een ander op te dringen. Ik wilde leren ook die ander te horen, en samen tot een wederzijds bevredigende relatie te komen. Met voldoende vrijheid en autonomie, en (hopelijk) een blijvende sprankeling.

In de connecties die op mijn pad kwamen na dit anderhalf jaar durende celibaat, kon ik al deze lessen in de praktijk brengen. Met vallen en opstaan. Al doende leert men pas echt, zo ontdekte ik.

De afgelopen drie jaar heb ik een psychologisch blog bijgehouden – met de naam OpenHartig – dat over deze lessen en ervaringen gaat. Het blog wordt goed gelezen, met zo’n 10.000 bezoekers per maand.

Ook ben ik begin 2019 een eigen praktijk begonnen, waarin ik individuen en stellen begeleid, die worstelen in de liefde. Net als ik deed, en soms nog altijd doe.

Het waren de lezers van mijn blog die mij aanmoedigden een boek te schrijven; iets waar ik altijd al van heb gedroomd, maar nooit aan ben begonnen. Tot nu. Ik hoop dat het velen mag inspireren op hun eigen liefdespad.

 


 

PS. Bovenstaand stuk vormt de intro van mijn boek ‘Samen & toch Vrij‘, dat ik momenteel aan het schrijven ben.