Van jezelf ‘jezelf’ mogen zijn (lekker introvert en minder populair) – de ultieme vrijheid

Als ik zo terugkijk op mijn relaties dan zie ik een hele hoop aanpassing. Ik ben het gewend te daten met vermijdend gehechte mannen (de vrijheid-‘verslaafden’), die onbewust extreem inzoomen op de minpunten van hun beschikbare geliefde om een veilige emotionele afstand te behouden (bij onbeschikbare geliefdes doen ze dit trouwens niet, want dan is het niet nodig). Dit was niet leuk aan me, dat was irritant. Ik ging nóg meer aan mezelf twijfelen dan ik al deed en deed mijn uiterste best die dingen te veranderen om zijn liefde te winnen of behouden.

En daar ging het fout. Want wat je ook doet, een vermijder zal blijven inzoomen op minpunten en irritaties. Zelfs bij de vrouw van zijn dromen. Geen mens is de perfectie zelve, dus Sherlock zal ze vinden en er zijn vergrootglas op zetten. Hoe dol hij ook op je is, die emotionele afstand heeft hij nodig (tenzij hij zich daar bewust van is en er aan werkt om op de positieve zaken te blijven focussen en te weten dat het groenere-gras-verlangen altijd zal blijven).

Ik ben nu zover dat ik mijn waarde heel duidelijk zie, onafhankelijk van de mening van mijn geliefden, en mijn eigen behoeften niet meer opoffer voor die van een ander. Mijn felbegeerde ‘eigenwaarde‘ lijkt eindelijk in the pocket. Ik accepteer die constante kritiek dus niet meer van een potentiële partner. Ik mag imperfecties hebben, zoals ieder mens. Als die een reden zijn om niet genoeg van me te houden en constant over de relatie te twijfelen, dan is daar de deur. Het is prima om aan jezelf te werken op vlakken waar je mee worstelt (zoals een lage eigenwaarde), maar proberen elke imperfectie uit te bannen en iemand proberen te zijn die je niet bent is extreem vermoeiend, onmogelijk én onnodig.

Die instelling trek ik ook door naar de rest van mijn leven. Want daar begon mijn neiging tot aanpassen. Ik heb namelijk mijn halve leven gedacht dat ik niet leuk genoeg was zoals ik was.

Ik was een verlegen, bangelijk en introvert kind, dat het liefst lekker thuis zat te lezen en schrijven. De bibliotheek was mijn favoriete plek. Veel vrienden had ik niet, maar daar had ik ook geen behoefte aan. Ik had mijn zus en mijn beste vriendin van een straat verderop. Daar was ik volledig content mee. We hadden samen een kleine moestuin, speelden schooltje of kantoortje, maakten parfum van bloemblaadjes of bouwden een insectenhuisje, hingen wat rond met andere kinderen in de buurt, praatten urenlang over onze kalverliefdes en hadden een ‘clubhuis voor twee’ op zolder. Ik vond het ook heerlijk op school. Ik leerde graag nieuwe dingen, vond het fijn in toetsen te kunnen laten zien wat ik geleerd had en had mijn eigen vooruitwerk-lijstje op de muur hangen. Gelukkig was ik niet sociaal onhandig, anders zou ik daar waarschijnlijk om zijn buitengesloten.

Mijn introverte natuur veranderde natuurlijk niet toen ik naar de middelbare school ging, maar toen ineens merkte ik dat mensen met deze eigenschap minder geliefd leken te zijn. Die waren saai. Ik dacht dat als ik mezelf zou laten zien zoals ik was, dat niemand me dan leuk zou vinden. Ik wilde er dolgraag bij horen of in elk geval niet als ‘nerd’ gezien worden. Dus ik deed mijn best zo leuk mogelijk te zijn. Spontaner, praatgrager, zelfverzekerder en een beetje boeveriger en dapperder dan ik van nature was. Ik zorgde ervoor dat ik genoeg aandacht aan mijn uiterlijk besteedde, al was ik daar geen held in. Ik deed veel dingen die niet mochten en die ik eigenlijk veel te eng vond. Ik ging vrij veel op stap, waar ik meestal helemaal geen zin in had. Ik dronk veel om m’n sociale angst te dempen en later kwam daar ook drugs bij. Het werkte, ik hoorde erbij. Beetje bij beetje leek dat extraverte zelfs steeds meer mijn echte persoonlijkheid te worden. Fake it, ‘till you make it.

Ook qua werk koos ik voor banen die niet bij me pasten, maar die wel een bepaalde status gaven en in de lijn der verwachting lagen. Ik ging als behandelend psycholoog werken, waarbij ik het gevoel had continu een rol te moeten spelen. Elk uur een nieuw gezicht voor me, de hele dag praten en al die mensen van hun probleem af proberen te helpen (althans, die verantwoordelijkheid voelde ik zo). Dodelijk vermoeiend vond ik dat. Later gaf ik in het wetenschappelijk onderzoek keer op keer presentaties voor volle zalen. Vreselijk nerveus was ik dan. Ik moet toegeven dat ik van beide banen veel geleerd heb en het me ook meer zelfvertrouwen heeft gegeven op die gebieden – ik heb er dus zeker geen spijt van -, maar het gaf me veel stress. Ik hoopte elke keer heimelijk dat patiënten niet zouden komen opdagen op hun afspraak, of dat presentaties niet door zouden gaan. Ik genoot niet van mijn werk.

Kortom, ik deed me jarenlang veel extraverter voor dan ik was. Ik mocht van mezelf niet verlegen, huiselijk en rustig zijn.

Dit ging zo door tot mijn 34e, toen ik mezelf toestemming gaf niet meer te vechten tegen mijn gevoelens en voorkeuren. Dan maak ik maar een minder sociale eerste indruk. Dan vinden ze me maar saai of raar. Als ze me leren kennen en ik los kom zien ze vanzelf wel dat dat reuze meevalt. Ik heb gewoon een vrij lange aanloopperiode nodig voor ik me echt op mijn gemak voel bij mensen. Mijn verlangen om door iedereen geliefd te zijn en niet verstoten te worden is nu verdrongen door mijn verlangen om echt te zijn. En omdat ik het mezelf nu toesta me ongemakkelijk te voelen bij nieuwe gezichten en niet te doen alsof dat niet zo is, voel ik me veel minder ongemakkelijk. Het ongemak over het ongemak komt er niet meer bovenop.

Nu heb ik op alle fronten eindelijk geaccepteerd wie ik ben: een huiselijk persoon, die graag veel leest, schrijft en nadenkt. Die niet elke avond en het hele weekend vol plant met afspraken en feestjes. Die geen kinderen wil en niet wil samenwonen. Die alleen een stimulerende en uitdagende Liefde met een hoofdletter L wil, en anders niet. Die van de natuur, rust en magische dingen houdt, ook al zijn ze niet wetenschappelijk bewezen. Die liever op reis de flora en fauna bekijkt of daar op een luie ligstoel van geniet, dan met een backpack of plattegrond alle culturele must-sees langs-trekt. Die er het liefst behoorlijk naturel bijloopt en niet maandelijks bij de kapper en schoonheidsspecialist zit of gaat winkelen (en dus liever niet meedoet aan de ‘pauw, pauw, ik ben mooier dan jou.. of in elk geval hopelijk mooi genoeg’-wedloop, die bij veel vrouwen als een rode draad door hun leven lijkt te lopen). Die liever enkele hele goede vrienden heeft, waar ze hele avonden mee kan praten en lachen, dan een populaire allemansvriend is. Die liever naar een uitdagende workshop, mooie filmhuisfilm, gezellig dansfeest of inspirerende lezing gaat (of gewoon thuis blijft lezen), dan een avond lam of high te worden, een beetje op en neer te bouncen en te hopen op veel sjans en een kus in de kroeg of club. 

Dat label ik nu niet meer als saai, maar als de dingen die ik simpelweg het allerfijnst vind. (En ook al klink ik nu vrij veroordelend om mijn punt te kunnen maken, iedereen die die andere dingen wel leuk en fijn vindt: ga er lekker voor!)

Ik push mezelf ook niet meer om een baan te nemen in mijn vakgebied die niet bij me past. Zo’n baan met een knetter hoge werkdruk en geen vrijheid om mijn eigen tijd in te delen op basis van mijn energie. Ja, ik vind psychologie en onderzoek onwijs interessant, maar ik wil er het liefst rustig over lezen en schrijven. Eerlijk gezegd wil ik überhaupt gewoon niet zoveel hoeven werken. Ergens op vaste dagen in de week van zo laat tot zo laat moeten zijn geeft me een heel opgesloten gevoel. Heel on-Calvinistisch, maar ik heb graag zoveel mogelijk vrijheid om mijn levenstijd te besteden aan voor mij belangrijkere zaken: persoonlijke ontwikkeling, creativiteit en plezier met mijn vrienden, familie en (als ik die heb) mijn geliefde. Helaas krijg ik daar niet voor betaald, dus voorlopig blijft werken noodzakelijk. Maar het is mij een raadsel waarom we met z’n allen een 40-urige werkweek of meer normaal vinden en neerkijken op mensen met een part-time baan (vooral als ze geen kinderen hebben). Lui en ambitieloos, worden die genoemd. Nou prima. Ik heb geen dik salaris nodig en ik streef ook niet naar de status van een ‘succesvolle carrière’. Passievol meesterschap in een bepaalde richting vind ik dan wel weer mooi, maar wie weet kom ik daar ooit nog eens op uit. (Ik werk nu trouwens met een nul-urencontract lekker flexibel twee a drie dagen per week in de keuken van een cateringbedrijf. Daar sta ik dan groenten te snijden, in pannen te roeren, werkbanken schoon te maken en mee te zingen met de radio, tussen de flauwe-grappen-makende koks. Het verdient natuurlijk weinig en het is best hard werken, maar ik vind het verrassend leuk. De rest van mijn uitgaven financier ik van mijn spaargeld. Werk dat beter betaalt zou een duurzamere oplossing zijn, maar wie weet komt dat binnenkort op mijn pad. Ik heb geen haast.)

Hoewel objectief gezien minder mensen mij nu leuk zouden moeten vinden, volgens de populariteitsmaatstaven van deze maatschappij, vind ik mezelf nu leuker dan ooit. Ik voel me veel beter over mezelf en ben dat constante knagende gevoel dat ik iets anders MOET doen, maar niet doe, en de bijbehorende stress verloren. Ik voel me vrij! Het voelt als thuiskomen. Ik hoef alleen maar mee te gaan op mijn eigen flow, die er altijd al was, maar die ik weigerde te omarmen uit angst voor afwijzing en uitsluiting. Ik richt mijn leven nu in zoals ik bén, niet zoals ik graag zou willen zijn. Als ik daardoor likes, flirts en (potentiële) vrienden of geliefden verlies: so be it. Dat is het me helemaal waard. Die passen dan simpelweg niet bij mij.

Misschien moest ik daar 35 voor worden, misschien komt het door de afgelopen jaren aan persoonlijke ontwikkeling. Waarschijnlijk is het beide. Maar oh, oh, jongens, ik kan jullie vertellen, het is zo’n bevrijding!

Nu je dit gelezen hebt en misschien iets van jezelf hebt herkend.. hoe ‘jezelf’ mag jij eigenlijk van jezelf zijn?