Leven in een stressvolle maatschappij – Wat als je (te) gevoelig bent?

Deze maand startte de campagne ‘Ik ben open’, die openheid over psychische klachten wil stimuleren en normaliseren binnen onze maatschappij (zie: https://www.ikbenopen.nu/). Een campagne naar mijn hart, dus ik heb er op mijn social mediakanalen aan meegedaan. De openheid over mijn eigen psychische klachten is er pas sinds enkele jaren, en mijn blog is daar een duidelijk voorbeeld van. Dat was ooit heel anders..

 

Ik ben nooit stressbestendig geweest. Sterker nog, ik was zeer stressgevoelig. Dat wist ik heel lang niet van mezelf. En toen ik het wel begon te vermoeden, deed ik alsof het niet zo was. Ik wilde er namelijk gewoon bijhoren, bij de stressbestendigen, die het ver kunnen schoppen in het leven.

Maar de waarheid was dat ik me snel overweldigd voelde door mijn omgeving. Door herrie, door twee taken tegelijk, door emoties van anderen, door binnenkomende telefoontjes, mails of appjes, door een lange to-do lijst, door nieuwe en dus onbekende zaken. Daar sloeg mijn lijf van op hol, waardoor ik even niks meer kon, en zo snel mogelijk uit de situatie wilde vluchten. Vluchten naar een omgeving, waar het wel vredig en kalm was.

Dat is lastig als je op de basisschool zit, in een drukke klas, waar dagelijks ruzietjes zijn. Als je opeens tig vakken krijgt, omdat op jouw middelbare school zojuist de Tweede fase is ingevoerd. Als je zo’n 200 medestudenten hebt, waardoor de collegezalen uitpuilen met vreemde gezichten, waar je nooit vertrouwd mee zult raken. Als je je scriptie of proefschrift aan het schrijven bent, je de boel niet meer overziet, en je niet om hulp durft te vragen. Als je werkdagen volledig volgepland worden met cliënten, verslaglegging en groepssessies, vol activiteiten waar je niet achter staat, en je niet meer tot rust kunt komen. En.. Zo kan ik natuurlijk nog wel even doorgaan.

De wereld lijkt soms één grote prikkel.

Dus ik ben graag thuis. In mijn eigen veilige holletje, zo noem ik het. Daar waar ik volledige zeggenschap heb over het aantal prikkels dat op me afkomt. Daar heb ik zelden muziek aanstaan, alleen als ik het bewust wil luisteren. Mijn favoriete plek is op de bank onder een dekentje, met een goed boek of een fijne serie. Op dagen dat de zon fel schijnt doe ik de gordijnen dicht, waardoor het licht veel zachter wordt. Mijn telefoon staat altijd op trillen, en telefoontjes laat ik meestal naar de voicemail gaan. Ik bel terug als ik daar ‘klaar’ voor ben. Groepsapps, waar ik in moet blijven, omdat ik anders belangrijke zaken mis, zet ik op dempen. Ik slaap ook graag, want dan hoef ik even helemaal niks, en kan mijn lijf eindelijk volledig tot rust komen.

Plekken waar het zeer druk is, waar het licht of geluid niet relaxt is (warenhuizen!), of waar ik de interactie aan moet gaan met een hoop (onbekende) mensen, zijn een crime voor mij. Je kunt me niet ongelukkiger maken. Verjaardagen passen helaas ook vaak in dit plaatje, tenzij ik iedereen ken. Veel drank (hoppa, snel twee glazen wijn achterover gieten, zodra ik ergens aan gekomen ben) of een beetje xtc heeft me op dit soort sociale aangelegenheden altijd gered. Dan ontspan ik, socialize en dans ik alsof mijn leven ervan afhangt, en heb ik het net zo leuk als de rest. Maar sinds ik de hevige katers er eigenlijk niet meer voor over heb – ik word ook een dagje ouder – zijn feestjes steeds minder aantrekkelijk. Zonder ‘kalmeringsmiddelen’ trek ik ze simpelweg niet.

En ‘normale’ banen op universitair niveau, waarbij je onder hoge druk moet blijven presteren, ongeacht hoe je energieniveau is of hoe overprikkeld je je voelt. Die acht uren moet je volmaken, elke dag opnieuw. Ik wilde dolgraag de GZ-opleiding doen, de post-doctorale opleiding om als behandelend psycholoog aan de slag te kunnen binnen de GGZ. Maar ik zag niet voor me hoe me dat zou kunnen lukken, wetende dat ik dan binnen zo’n hectische GGZ-instelling aan de slag moest.

 

Het moment waarop ik besloot dat ik niet meer op mijn tenen wilde lopen, om maar niet buitengesloten te worden in het leven, was behoorlijk eng. Maar ik moest wel. Ik kon alleen nog maar huilen en slapen. Werken ging niet meer, relaties aangaan ging niet meer, ik kon het niet meer opbrengen sociaal te zijn. Ik was de regie over mijn leven kwijtgeraakt; mijn lichaam zei: en nu stop je!

Ik vroeg me af: is die nare toekomstvoorspelling eigenlijk wel waar? Zal ik buitengesloten worden? Ga ik mijn vrienden verliezen? Zullen nieuwe mensen me saai en raar vinden, en niets met me te maken willen hebben? Kan ik geen baan (op mijn niveau) meer krijgen? Krijg ik zo nooit een leuke partner?

Ik geloofde natuurlijk dat dit waar was, daarom had ik al mijn hele leven gedaan wat ik deed. Doen alsof. Doen alsof ik veel extraverter, ondernemender en stressbestendiger was dan ik ben. Constant mijn grenzen voorbij gaan. Dat gaat echt wel een hele tijd goed, tot het niet meer lukt. Mijn uitdaging was: ga het maar eens anders doen en kijk maar eens wat er dan gebeurt. Je kunt nu toch niet meer anders.

 

En zo geschiedde.

Ik kan jullie vertellen: mijn echte vrienden heb ik nog, die houden van me, accepteren me en steunen me zoals ik ben. Nieuwe mensen komen nog altijd praatjes met me maken, en blijven bij me, als hoe ik ben hen bevalt. Zo niet, dan fladderen ze weer lekker verder; en dat is iets heel moois, want dan passen ze ook niet bij mij. Ik heb nog nooit zoveel voldoening ervaren in mijn werk als nu, en dat is zeker werk op mijn niveau. En als klap op de vuurpijl heb ik nog nooit zo’n fijne en passende relatie gehad als die waar ik nu in zit. Ons levensritme past mooi bij elkaar, hij is net zo’n introverte, knuffelgrage en speelse huismus als ik, en bovenal: we hebben dezelfde ideeën over hoe we een liefdesrelatie willen vormgeven.

Ik ben tegenwoordig eerlijk over zaken waar ik geen trek in heb, of die me niet lukken. Zoals (de meeste) verjaardagen, feestjes of netwerkborrels. Soms ga ik toch, maar geef ik mezelf de ruimte om na een uur weer te gaan, als ik overspoeld raak. Of ik gooi er toch maar wat alcoholische drankjes in, zodat ik er toch van kan genieten. Tja.. Ook heb ik het werken in loondienst achter me gelaten, zodat ik mijn werkdruk helemaal zelf kan bepalen. Door me eind 2018 aan te sluiten bij Psyned, een bedrijf dat psychologen helpt een bloeiende praktijk op te bouwen, onder andere middels een twee-jarig post-doctoraal opleidingstraject, is me dat binnen een paar maanden gelukt. Ik mis nu natuurlijk de veiligheden van loondienst, zoals constante inkomsten, inclusief vakantiegeld en een dertiende maand, maar de vrijheid die ik nu heb is me alles waard. Het ontbreekt me gelukkig niet aan creativiteit, een flinke financiële buffer (ik heb altijd goed gespaard) en ondernemingslust, dus ik red me wel.

 

Ik vraag me nog steeds wel eens af: wat is er toch mis met mij?? Waarom ben ik zo? De verleiding is groot om dan (onofficiële) diagnoses op mezelf te plakken. Autisme (ASS, en dan het voormalige Asperger). Hoogsensitiviteit (HSP). Hoogbegaafdheid. AD(H)D. (Trekken van een) Persoonlijkheidsstoornis. Onveilige hechting. Neurodivergent. Of passen ze me allemaal? Of allemaal niet? Misschien zou het me veel meer helpen om niet met zo’n ‘pathologie’-bril naar mezelf te kijken.

Hoewel ik de hechtingslabels wel veelvuldig gebruik in mijn schrijfsels, omdat informatie over hechting mij enorm heeft geholpen bij het verkrijgen van inzicht en ik het ‘beestje’ toch een naam wil geven, werk ik als psycholoog niet met diagnoses. De symptomen van veel diagnoses overlappen, en dat leidt er vaak toe dat de ‘verkeerde’ diagnoses worden gesteld. Nauwkeurige diagnostiek kost nu eenmaal veel tijd. Letterlijk ‘kostbare’ tijd die ik in mijn praktijk wel beter kan besteden. Daarnaast werk ik in de onvergoede zorg, en heb daardoor niet te maken met zorgverzekeraars, die deze diagnoses verplicht stellen voor vergoeding. Maar.. Hoewel ik geen diagnoses stel, doe ik wel zorgvuldig onderzoek naar waar iemand precies last van en moeite mee heeft, en hoe we daar (liefst zonder medicatie), verbetering in kunnen brengen. Wat dat betreft zie ik de gehele behandeling als één groot diagnostisch onderzoek naar de persoon die voor mij zit.

“Kun je dan wel (een goede) psycholoog zijn?”, hoor ik jullie denken (of eerlijker is: vrees ik dat jullie denken). Ik had daar zelf ook zo mijn bedenkingen over. Zeker toen een oudere dame, een counselor, mij vorig jaar publiekelijk aanviel over het feit dat uit mijn blog blijkt dat er nog thema’s zijn die ik lastig vind, en dat dat gevaarlijk zou zijn voor kwetsbare cliënten. Zelf had ze geen thema’s meer, zei ze. Toen ik haar vroeg haar opmerking wat meer toe te lichten in een privébericht, blokkeerde ze me abrupt. Daar had ik dus weinig aan, sterker nog, het was voeding voor mijn onzekerheid.. Ik besprak het voorval met mijn supervisor, die me uiteindelijk geruststelde met de boodschap: “hulpverleners die denken dat ze zelf uitgeleerd zijn, die hebben vaak nog de grootste blinde vlekken.” Ook gaf ze me mee dat, juist omdát bepaalde vaardigheden mij niet van nature kwamen, zoals wederkerigheid, empathisch reageren (niet empathisch zijn) en effectief communiceren, ik ontzettend mijn best heb moeten doen om deze bij te spijkeren. Daardoor weet ik misschien nog wel beter hoe die zaken werken, dan mensen die het altijd op de automatische piloot gedaan hebben. Ik heb van menselijke interactie, vooral in liefdesrelaties, letterlijk mijn studie gemaakt. Daarmee ben ik een relatiedeskundige geworden. Ook ben ik minder van sociale constructen: hoe ‘hoort’ het? Dat geeft me vaak net een andere, meer open kijk op zaken. Dat er (nog steeds) dingen zijn waar ik tegenaan loop in het leven, maakt mij nog geen gevaar voor cliënten. De mate van bewustzijn hierover, en de mate waarín ik tegen zaken aan loop, zijn bepalend. Leertherapie voor psychologen bestaat bovendien niet voor niks. Tenslotte, als je me spreekt en ziet, dan zie je daar waarschijnlijk niks geks of afwijkends aan. Eventuele turbulentie speelt zich hoofdzakelijk af in mijn hoofd en lijf; maar daar heb ik inmiddels behoorlijk goed mijn weg in gevonden. Ook kan ik als de beste camoufleren, als dat toch even nodig is. Dat mijn vrienden en zelfs mijn ouders niet echt geloven in mijn zelfgekozen labels, ervaar ik stiekem als compliment (al is het soms ook frustrerend). Ik kan heus wel ‘normaal’ doen ja. Maar, hoe ouder ik word, hoe minder ik dat nog noodzakelijk vind. Gelukkig krijg ik telkens zo’n fijne feedback van mijn cliënten, mijn collegapsychologen en mijn supervisoren, maar bovenal ook van mijzelf, dat ik de onzekerheid hierover losgelaten heb.

 

Mijn advies aan mensen die constant met zichzelf in de knoop liggen is: probeer te ontdekken én open te zijn over wie jij bent en wat jij nodig hebt om goed te kunnen functioneren, vooral op momenten die er voor jou toe doen. Richt je (sociale) omgeving en levensstijl zo in, dat die vóór je werkt in plaats van tegen je. En, een hele belangrijke naar mijn mening: omring jezelf zoveel mogelijk met gelijkgestemden (‘lotgenoten’). Ken je het verhaal van ‘het lelijke eendje’, dat opgroeide tussen de eenden, maar zelf een zwaan was, en dat niet wist? Die kleine zwaan, die altijd het gevoel had anders te zijn, niet goed genoeg, en door de eenden buitengesloten werd? Die pas toen hij onder zijn soortgenoten kwam, zichzelf eindelijk herkende, zich geaccepteerd voelde en zichzelf durfde te zijn? Precies. En vanuit die stevige basis kun je als zwaan veel gemakkelijker lekker met de eendjes spelen.

Mijn eigen toegenomen voldoening, innerlijke rust en geluk in het leven is een bewijs dat dit pad van zelfontdekking en acceptatie veel op kan leveren. Daar help ik dolgraag ook anderen bij.

#ikbenopen #imperfectcircle